Schurende spijkerbroeken, teleurstelling in het mannelijk geslacht en lovehandles die met geen mogelijkheid lijken in te slinken. Redacteur Emma schrijft eens in de zoveel tijd over een dilemma dat haar opfokt.

Dit keer: schoonmaken

Schoonmaken

Boenen, tot een maand geleden deed ik het nog zelf. Knot in mijn haar, WILD FM op volume 26, chloorbestendige legging aan en gaan. Als een wervelwind ging ik tekeer. Onder de bank, op de keukenkasten, in de ijskast, achter de wc en langs de trapleuning. Geen stofje kon ontkomen aan mijn lapjes. Het schoonmaken zag ik eens per week (of eens per twee weken – uitstelgedrag kennen we allemaal) als een wedstrijd. Eentje die ik keer op keer weer won. Want zonder al teveel veren in mijn eigen reet te steken, als het om schoonmaken gaat behoor(de) ik tot de Champions League.

Ik ben van het soort dat het koffieapparaat, het fornuis en de afzuigkap uit elkaar haalt zodat ze mee kunnen in de afwasmachine. Oke, misschien heb ik kenmerken van een schoonmaakneuroot – maar na een uurtje of drie boenen is het huis spik en span. Iets waar ik de laatste maanden nogal over struikel. Sinds ik samenwoon heb ik namelijk te maken met een hele lieve mede-schoonmaker. Eentje die – naar mijns inziens – net even wat minder schoonmaak-inzicht heeft dan ik. Die na een úúr boenen in de badkamer (maximaal 8m2) het presteert om nóg zeepresten, tandpastavlekken en een gevuld prullenbakje over het hoofd te zien. Die eerst dweilt voordat hij stofzuigt (heb ik een schoonmaak-hack gemist?), die welgeteld 12 minuten doet over het afnemen van het aanrecht van 2.70 meter en die maar liefst vijftien euro per uur vraagt. Nee, ik heb het niet over mijn vriend – maar zijn hulp. Of wat zeg ik: ónze hulp tegenwoordig.

Chloorbestendige legging

Tja, je zou zeggen: ontslaan en op zoek gaan naar iemand anders. Of (in mijn geval misschien beter): trek lekker je chloorbestendige legging aan. Fair, maar zo eenvoudig is het niet. Mijn vriend had mijn mede-schoonmaker namelijk al in dienst voordat ik bij hem introk. Daarbij vindt hij onze hulp/interieurverzorger ‘aardig’. Even vooropgesteld: dat is hij zeker, maar van schoonmaken heeft hij geen kaas gegeten! Toch staat mijn lieve, iets minder schoonmaakneurotische vriend niet open voor een wissel van de wacht. En dat standpunt heeft voor de nodige irritaties gezorgd.

“Hou eens op met zeuren, het is toch heel fijn dat jij naast je fulltime baan niet ook nog het hele huis hoeft te doen?” en “Em als je hun werk afpakt, waar moeten ze dan hun boterham mee verdienen?” Punt één is half waar. Het is een luxe wanneer iemand je helpt in het huishouden en daarbij ben ik een absolute mierenneuker. Maar aan de andere kant maak ik nu nog zeker twee uur per week schoon nadat de hulp is geweest en kan je met krap 60m2 wat mij betreft niet spreken van het HELE huis. Punt twee is sneu. Absoluut. Maar gelukkig – zonder als een totale bitch over te komen – heeft hij naast onze klus nog een stuk of twaalf huizen waar hij ‘schoonmaakt’…

“Die twaalf anderen vinden hem dus kennelijk wel goed,” zei mijn vriend afgelopen zaterdag met een brok in zijn keel toen ik het balletje weer opgooide. “Je bent gewoon aan het stigmatiseren omdat het een man is,” vervolgde hij. En daar had hij me. Opeens zag ik de angst in zijn ogen. De angst straks zelf de pispaal te worden. En eerlijk is eerlijk, daar zit een kern van waarheid in. Dus misschien moet ik onze ‘aardige’ hulp opleiden tot een ‘goede’ hulp en kan straks iedereen daar de vruchten van plukken.

LEES OOK:
EMMA’S DILEMMA: ‘MIJN VRIEND VOELT ZICH GENOODZAAKT OM HET HANDGEWEVEN KLEED VAN VIER HOOG NAAR BENEDEN TE GOOIEN’